Ik ga naar de gynaecoloog vanwege een afwijkend uitstrijkje

In het kort

In het kort

  • Bij een afwijkend uitstrijkje gaat u naar de gynaecoloog in het ziekenhuis.
  • Uw baarmoederhals wordt bekeken. Zo nodig worden er stukjes weggehaald en onderzocht. 
  • Meestal zijn de afwijkingen niet kwaadaardig, maar kunnen dat op lange termijn (15 jaar) worden.
  • Soms moet er een stuk baarmoederhals weggehaald worden, met een lisexcisie of conisatie. 
  • Bij een lisexcisie wordt met een gloeiend metalen lusje een stuk baarmoederhals weggebrand (met plaatselijke verdoving).
  • Bij een conisatie wordt een groter stuk baarmoederhals weggehaald (met ruggenprik of narcose).
Beschrijving

Afwijkende uitslag van het uitstrijkje

Er is bij u een uitstrijkje gemaakt om het ontstaan van baarmoederhalskanker vroegtijdig op te sporen.

  • In uw uitstrijkje zit HPV (humaan papillomavirus) dat baarmoederhalskanker kan veroorzaken. 
  • Daarom zijn ook uw baarmoederhalscellen onder de microscoop bekeken.

Bij u zijn cellen gevonden die er anders uitzien dan normaal. Hoe baarmoederhalscellen eruit zien wordt uitgedrukt in 'Pap'. Pap 1 betekent er zijn geen afwijkingen. Bij u is de uitslag Pap 2 of hoger (tot Pap 5). 

Om te beoordelen of de afwijkingen ernstig zijn, moet de baarmoederhals verder worden onderzocht. Voor dit onderzoek gaat u naar de gynaecoloog in het ziekenhuis.

Oorzaken

Waardoor ontstaat baarmoederhalskanker?

Baarmoederhalskanker komt door een virus: het humaan papillomavirus (HPV).

De besmetting met HPV gaat via seks. HPV is erg besmettelijk, waardoor zelfs condooms niet altijd helpen. Bijna iedereen die seks heeft (gehad), heeft wel eens een infectie gehad met HPV. Dat is dus eigenlijk heel normaal. Als u besmet bent met HPV, merkt u dat niet. Het virus verdwijnt meestal weer vanzelf.

Soms kan het lichaam het HPV niet opruimen. Het virus blijft dan jaren aanwezig in en om de baarmoedermond. In dat geval kan er heel soms baarmoederhalskanker ontstaan.

  • De verandering van gezonde baarmoederhals tot (mogelijk) baarmoederhalskanker duurt meestal minimaal 15 jaar.
  • Van de 100 vrouwen die zijn besmet met HPV krijgt hooguit 1 vrouw baarmoederhalskanker.
  • Er bestaan wel 100 soorten HPV. Van die 100 soorten kunnen er ongeveer 12 baarmoederhalskanker geven.
  • 70% van de baarmoederhalskankers wordt veroorzaakt door 2 soorten HPV. Die noemen we HPV 16 en HPV 18.
Naar de gynaecoloog

Voorbereiding op uw afspraak met de gynaecoloog bij een afwijkend uitstrijkje

Hoewel de kans op baarmoederhalskanker heel klein is, bent u misschien toch ongerust als u naar de gynaecoloog moet. 

Schrijf daarom uw vragen van tevoren op. U vergeet ze dan niet als u bij de gynaecoloog bent.

U kunt ook iemand meenemen met wie u tijdens uw bezoek aan het ziekenhuis dingen kunt bespreken.

Onderzoeken

Onderzoek door de gynaecoloog bij een afwijkend uitstrijkje

De gynaecoloog legt nog eens uit wat er tot nu toe is gevonden en wat er verder gaat gebeuren. Eerst zal zij/hij via de vagina voelen naar uw baarmoeder en eierstokken.

Daarna wordt uw baarmoederhals onderzocht. De gynaecoloog doet dat met een colposcoop: een soort kijker met vergrotingslenzen, net als een microscoop.

Tijdens de colposcopie kijkt de gynaecoloog of hij/zij verder niets doet, nog een uitstrijkje maakt of dat hij/zij kleine stukjes weefsel voor onderzoek uit de baarmoederhals ‘hapt’ met een tangetje. Dit laatste kan even een krampend gevoel in de onderbuik geven. De baarmoederhals kan daarna een beetje bloeden.

Soms besluit de gynaecoloog de baarmoederhals niet alleen te onderzoeken maar ook direct te behandelen. Er wordt dan direct wat meer weefsel verwijderd.

Uitslag

De uitslag van het onderzoek van baarmoederhalscellen bij de gynaecoloog

De uitslag van het onderzoek van het baarmoederhalsweefsel is meestal binnen 2 weken bekend. De gynaecoloog bespreekt met u hoe u de uitslag hoort: telefonisch, schriftelijk of tijdens een vervolgbezoek.

De uitslag van het baarmoederhalsonderzoek door de gynaecoloog wordt uitgedrukt in CIN. CIN is een afkorting van Cervicale Intra-epitheliale Neoplasie. In normaal Nederlands betekent dit nieuwgroei in de bekleding van de baarmoederhals.

De uitslag kan zijn:

  • CIN I: lichte afwijking aan de baarmoederhalscellen (lichte dysplasie):
    - Hierbij is meestal geen behandeling nodig.
    - De afwijkende cellen verdwijnen meestal vanzelf.

  • Cin II: de baarmoederhalscellen zijn meer afwijkend (matige dysplasie):
    - Hierbij is vaker behandeling nodig maar zeker niet altijd.
    - Ook deze afwijkende cellen kunnen vanzelf verdwijnen.

  • Cin III: de baarmoederhalscellen zijn sterk afwijkend. Het gaat hier om een ernstig voorstadium van of een risico op baarmoederhalskanker (sterke dysplasie):
    - Hierbij is altijd behandeling nodig.
    - De kans dat de afwijking vanzelf verdwijnt is erg klein.

Meestal vindt de gynaecoloog baarmoederhalscellen die niet kwaadaardig zijn, maar die op lange termijn kwaadaardig zouden kunnen worden. Deze cellen zijn goed te behandelen waardoor u geen baarmoederhalskanker krijgt.

ORS

ORS is een oplossing van zouten en glucose (druivensuiker) in water.

Het wordt gebruikt bij waterdunne diarree en braken (overgeven).

Bron: Apotheek.nl
Behandeling

Behandeling van afwijkende baarmoederhalscellen

Niet alleen de CIN-indeling bepaalt of uw baarmoederhals behandeld moet worden. De gynaecoloog kijkt ook hoe groot het gebied is waarin afwijkende cellen zitten. Ook uw leeftijd speelt een rol. Bij jongere vrouwen is de kans dat afwijkingen aan de baarmoederhals vanzelf verdwijnen groter dan bij oudere vrouwen.

Zo zijn er verschillende mogelijkheden:

  • Heeft u CIN II, gaat het maar om een klein afwijkend plekje en bent u 30 jaar, dan zal de gynaecoloog meestal adviseren om af te wachten.
  • Heeft u CIN II, gaat het maar om een klein afwijkend plekje en bent u 60 jaar, dan zal de gynaecoloog waarschijnlijk eerder gaan behandelen.
  • Heeft u CIN II, gaat het om een groot afwijkend gebied en bent u 30 jaar, dan zal de gynaecoloog meestal gaan behandelen.
  • Heeft u CIN III, gaat het maar om een klein afwijkend plekje en bent u 30 jaar, dan zal de gynaecoloog bijna altijd gaan behandelen.

De 2 belangrijkste behandelingen zijn:

  • Lisbiopsie of lisexcisie
    Hierbij wordt met een gloeiend metalen lusje een stukje baarmoederhalsweefsel weggebrand.
  • Conisatie
    Hierbij wordt meestal een groter stuk weefsel weggesneden. Conisatie is vooral geschikt als de afwijking diep in de baarmoederhals zit of te groot is voor een lisexcisie.
Lisbiopsie / lisexcisie

Hoe gaat een lisbiopsie of lisexcisie?

Bij een lisbiopsie (lisexcisie):

  • ligt u op een onderzoeksbank.
  • schuift de gynaecoloog voorzichtig een eendenbek (speculum) in uw vagina.
  • wordt uw baarmoederhals verdoofd met een prik. Die prik kan even pijn doen. Door de prik kunt u het ook even warm krijgen (opvlieger) met hartkloppingen en 'bibberige benen'.
  • wordt er een dunne metalen plaat aan uw been vastgemaakt. Dit is een zogenoemde aardleiding of 'aarde' om stroom van de elektrische gloeidraad af te geleiden.
  • wordt er met een hele dunne gloeiende metalen lus (gloeidraad) een stukje baarmoederhals weggebrand. Tijdens het branden hoort u meestal een piepsignaal van het apparaat dat wordt gebruikt.
  • voelt u niets door de verdoving.
  • kunt u wel een brandlucht ruiken en soms zelfs wat rook zien.

Na de ingreep kan uw baarmoederhals nog een paar dagen gevoelig blijven. De eerste dagen zal de operatiewond wat bloeden. Daarna houdt u nog 1 tot 3 weken wat bloederige afscheiding. Tussendoor kan het bloedverlies soms weer even wat meer zijn en dan weer minimaal.

Ziet u erg op tegen een lisbiopsie? Dan kunt u met de gynaecoloog bespreken of het eventueel kan met een ruggenprik of narcose.

Conisatie

Hoe gaat een conisatie?

Bij een conisatie:

  • bespreekt u van tevoren met de gynaecoloog wat hij/zij gaat doen en vooral ook hoeveel weefsel er wordt weggenomen.
  • ligt u in een operatiekamer.
  • krijgt u meestal narcose of een ruggenprik.
  • met een ruggenprik bent u gewoon wakker maar voelt u niet wat er aan uw onderlijf gebeurt.
  • snijdt de gynaecoloog met een mesje in een cirkelvorm het bovenste stuk van de baarmoederhals weg. Dat stuk weefsel heeft de vorm van een kegel of 'conus' (vandaar de naam 'conisatie').
  • kan er soms zoveel weefsel worden weggesneden dat u minder makkelijk zwanger wordt of dat u bij een zwangerschap kans heeft op vroeggeboorte.

Na de ingreep heeft u vaak tijdelijk een slangetje (katheter) in uw plasbuis. Die wordt meestal na een paar uur weer verwijderd. Ook kunt u een tampon of een gaasprop in uw vagina hebben om het bloed op te vangen.
U heeft nog 1 tot 3 weken bloederige afscheiding.

Heeft u hier vragen over, bespreek die dan met uw gynaecoloog of huisarts voordat u de ingreep krijgt.

Hoe gaat het verder?

Hoe gaat het verder na een lisexcisie of conisatie?

Het weefsel dat met de lisexcisie of conisatie is weggenomen, wordt onderzocht. De uitslag is meestal hetzelfde als de CIN-uitslag van de biopsie in het begin. U krijgt de uitslag waarschijnlijk telefonisch.

  • Gebruik thuis maandverband voor het bloedverlies of de bloederige afscheiding, liever geen tampon.
  • Douchen en in bad mag gewoon.
  • Verliest u veel bloed? Dat wil zeggen meer dan u tijdens een menstruatie gewend was? Bel dan uw huisarts.
  • Zolang u nog bloederige afscheiding heeft, raden artsen geslachtsgemeenschap af. Na een conisatie is het advies om 3 tot 4 weken geen geslachtsgemeenschap hebben.
    Heeft u geen bloedverlies meer en weer seks, dan kunt u na geslachtsgemeenschap soms weer even bloedverlies krijgen. Soms kan geslachtsgemeenschap een tijdje wat gevoeliger zijn.
  • Krijgt u koorts en/of buikpijn, dan moet u naar de gynaecoloog.
  • Na de ingreep kunt u een week vermoeid zijn.
  • Als u weer ongesteld wordt, kan dat gevoeliger zijn dan u gewend bent. U kunt ook wat meer bloed verliezen.
    Twijfelt u of het wel een menstruatie is, bel dan uw huisarts.
  • Na de lisexcisie kunt u na een week weer voorzichtig fietsen (korte stukjes, voorzichtig opstappen). Na 2 weken kunt u weer geleidelijk gaan sporten.
  • Na een conisatie kunt u pas weer sporten na 3 tot 4 weken. Met fietsen kunt u na 1 tot 2 weken weer voorzichtig beginnen.

Na een half jaar komen de meeste vrouwen terug voor controle bij de gynaecoloog. 

Laatst herzien op

Vond u deze informatie nuttig?

Vond u deze informatie nuttig?
Heeft u nog een suggestie of opmerking? Dit is niet verplicht.
Kunt u toelichten waarom niet? Dit is niet verplicht.