In het kort

  • Bij FNS werken de hersenen en delen van het lichaam niet goed samen.
  • Hierdoor kan je kind problemen hebben met bijvoorbeeld bewegen, voelen of zien.
  • Bij de meeste kinderen worden de klachten minder of gaan ze weg. Dit gebeurt soms vanzelf of door een behandeling.
  • Vaak wordt niet duidelijk hoe het precies komt dat je kind FNS heeft.

Wat is FNS?

Bij een functionele neurologische stoornis (FNS) werken de hersenen en delen van het lichaam niet goed samen. Hierdoor kan je kind problemen hebben met bijvoorbeeld bewegen, voelen, spreken of zien. Of je kind reageert ineens nergens meer op.
Bij FNS heeft je kind geen schade aan de hersenen of zenuwen.

Een kinderarts of arts die veel weet van de hersenen en zenuwen (kinder-neuroloog), onderzoekt de klachten van je kind. En kijkt of je kind FNS heeft.

FNS komt voor bij jongens en meisjes, op alle leeftijden.

Wat merk je als je kind FNS heeft?

Als je kind FNS heeft, kun jij bijvoorbeeld deze dingen merken:

Bewegen

  • Je kind maakt bewegingen zonder dat het dat wil. Je kind gaat bijvoorbeeld trillen of loopt anders. Of je kind maakt ineens een geluidje of beweging zonder dat het dat wil (tics). De armen of benen van je kind kunnen gaan schokken.
    Je kind kan dit de hele tijd hebben. Of het komt ineens en gaat weer weg.
  • Je kind heeft ineens minder kracht in de spieren. Hierdoor kan je kind een arm of been niet meer bewegen. Of je kind zakt tijdens het lopen door een been.
  • Je kind krijgt een aanval. Dat kan eruitzien als epilepsie of flauwvallen.

Geen gevoel

  • Je kind heeft geen gevoel in een deel van het lichaam. Bijvoorbeeld in een arm of in het gezicht.

Reageren en nadenken

  • Je kind reageert minder of niet op de mensen om zich heen.

Praten, zien, horen en slikken

  • Je kind kan niet meer goed praten, zien of horen. Of heeft moeite met slikken.

Je kind kan meerdere van deze dingen tegelijk hebben. En de klachten kunnen veranderen.

Deze klachten zijn echt. Je kind doet niet alsof.

Waardoor kan je kind FNS krijgen?

Artsen weten niet precies waarom sommige kinderen FNS krijgen en andere niet. Waarschijnlijk komt het door verschillende dingen.

Gebeurtenis die heftig was voor jouw kind of voor het lichaam van je kind

Voorbeelden van dingen die ervoor kunnen zorgen dat je kind FNS krijgt:

  • Je kind heeft een gebeurtenis meegemaakt die heftig was. Je kind is bijvoorbeeld een tijd ziek geweest of heeft een ongeluk of operatie gehad. Of iemand die je kind goed kent, is overleden. Of je kind voelt zich niet veilig.

Grotere kans

Voorbeelden van dingen waardoor je kind een grotere kans heeft om FNS te krijgen:

  • Je kind heeft een ziekte zoals migraine of fibromyalgie.
  • Je kind heeft stress door dingen die er elke dag zijn. Bijvoorbeeld problemen op school of in het gezin.
  • Je kind heeft psychische klachten, zoals een angststoornis of depressie.
  • Je kind maakt moeilijk contact met andere mensen.
  • Je kind kan moeilijk omgaan met emoties.
  • Je kind heeft een verstandelijke beperking.

Klachten blijven langer

Voorbeelden van dingen waardoor FNS bij je kind langer kan blijven:

  • Je kind heeft ook andere lichamelijke klachten, zoals pijn die lang blijft.
  • Je kind is steeds heel bang dat het weer klachten krijgt. Door die angst worden de klachten erger.
  • Je kind krijgt weinig steun van andere mensen. Misschien denken ze dat de klachten van je kind niet echt zijn.
  • Je kind doet dingen niet omdat het er bang voor is. Daardoor wordt je kind er steeds banger voor.

Misschien wordt niet duidelijk hoe het precies komt dat je kind FNS heeft. Het is begrijpelijk dat je dit graag wilt weten. Toch is het vaak beter dat je niet langer blijft zoeken naar de oorzaak. Kijk vooral naar wat je kind nodig heeft om minder last van de FNS te hebben.

Leven met FNS

Als je kind FNS heeft, kunnen veel dingen anders zijn dan eerst. Je kind kan vaak niet meer alles doen wat het normaal elke dag doet. Dat merkt je kind in het contact met andere mensen, op school of thuis. Doordat je kind minder energie heeft, moet het soms een tijdje dingen anders doen.

Misschien schaamt je kind zich voor de klachten. Of begrijpen sommige mensen het niet. Zegt iemand iets vervelends? Zorg dat je kind daarover praat met iemand. Misschien helpt het als je kind vertelt dat het FNS heeft. Of bespreek met de zorgverlener van je kind hoe jullie met vervelende reacties kunnen omgaan.

Misschien is je kind ook ongerust. Je kind kan bang zijn dat de klachten vaker terugkomen. Of dat sommige klachten voor altijd blijven. Het kan helpen om te weten dat dit vaak niet zo is. Vaak worden de klachten minder.

Wat kun jij doen als je kind FNS heeft?

Deze dingen kun je doen als je kind FNS heeft:

Vertrouwen geven

  • Soms werkt het lichaam van je kind anders dan eerst, en soms niet. Zie je dat het goed gaat? Vertel dit dan aan je kind. Dat geeft vertrouwen in het eigen lichaam.

Uitleg geven

  • Vertel de mensen om jullie heen dat je kind FNS heeft. Vertel dat de klachten ineens kunnen beginnen en dat je kind daar niks aan kan doen. De mensen om je heen begrijpen het dan beter.
  • Gebeurt het wel eens dat je kind ineens nergens meer op reageert? Vertel de mensen om je heen wat ze dan kunnen doen. En hoe je kind het graag wil. Zo zorg je dat mensen niet bang worden of in paniek raken.

Thuis

Het is thuis voor iedereen heftig als je kind FNS heeft. Bijvoorbeeld ook voor broertjes en zusjes. Praat erover met de zorgverlener van je kind. Die kan ook adviezen geven voor de anderen.

Op en na school

  • Zorg dat de leraren op school weten dat je kind FNS heeft. En wat ze moeten doen als het niet goed gaat met je kind.
  • Kan je kind niet naar school? Bespreek dit dan op school. Maak een plan hoe je kind weer terug kan komen.
  • Laat je kind naar school gaan zodra dat weer kan.
  • Laat je kind ook doorgaan met hobby's, sporten en met vrienden afspreken. Voor je kind is het goed dat alles zoveel mogelijk blijft zoals het eerst was.

Gaan de klachten van je kind niet weg? Dan is het belangrijk dat je een afspraak maakt bij de neuroloog of huisarts.

Behandeling van FNS bij je kind

Soms gaat FNS vanzelf over. Gaat FNS bij je kind niet vanzelf over? Dan kan je kind een behandeling krijgen.
Er is niet 1 behandeling voor iedereen met FNS. Het verschilt per kind welke behandeling het beste past.

Plan maken

De arts vraagt je kind: welke dingen wil je het liefst doen die je nu niet kunt? En welke klachten wil je daarvoor minder maken?
De arts en je kind kijken samen wat daarvoor nodig is en schrijven dat op in een plan. Je kind bespreekt dan met de arts welke behandeling het beste past.

Behandeling kiezen

Je kind kan 1 of meer van deze behandelingen krijgen:

Hulp bij bewegen, spreken of slikken

  • fysiotherapie of oefentherapie
    Heeft je kind bijvoorbeeld minder kracht in de spieren? Of beweegt je kind anders dan normaal? Dan kan een fysiotherapeut of oefentherapeut je kind helpen.
  • logopedie
    Een logopedist kan je kind helpen om problemen met spreken en slikken minder te maken.

Hulp om met klachten om te gaan

  • cognitieve gedragstherapie (CGT)
    Een kinderpsycholoog kan je kind helpen om te gaan met aanvallen waarbij je kind bijvoorbeeld gaat schokken met de armen of benen. Of waarbij je kind geen contact meer maakt met de mensen in de omgeving. Je kind krijgt ook hulp om die aanvallen minder te maken.
  • psychotherapie
    Zijn er psychische dingen die ervoor zorgen dat de klachten van FNS bij je kind blijven bestaan? Dan kan je kind praten met een kinderpsycholoog of kinderpsychiater. Samen kijken ze of er dingen zijn die de klachten erger maken en wat je kind daaraan kan doen. Ook kan een kinderpsycholoog je kind helpen om beter om te gaan met FNS. Meestal doe je als ouder of verzorger ook mee aan deze gesprekken.

Andere of verschillende behandelingen

  • Helpen de dingen hierboven niet genoeg? Dan zijn er vaak andere of meer behandelingen tegelijk die kunnen helpen.
  • Omdat je kind veel tijd op school is, wordt vaak ook van leraren of begeleiders gevraagd of zij met je kind meedenken en helpen.
  • Soms krijgt je kind hulp van verschillende zorgverleners. Bijvoorbeeld van een fysiotherapeut en een kinderpsycholoog. Ze werken dan bijvoorbeeld aan 2 dingen tegelijk: de klachten en de dingen die ervoor zorgen dat de klachten niet weggaan.

Hulp na de behandeling

Je kind kan ook hulp krijgen om na de behandeling niet opnieuw FNS te krijgen. Of hulp bij problemen die je kind heeft. Bijvoorbeeld thuis, op school of met vrienden.

Hoe kun je helpen als je kind FNS heeft?

Zo kun je je kind helpen:

  • Neem je kind serieus. De klachten zijn echt, ook als niet duidelijk is waar ze door komen. Je kind doet niet alsof.
  • Heeft je kind een aanval? Dan is het belangrijk dat je weet wat je moet doen. Zorg dat je kind zich geen pijn kan doen aan dingen om zich heen. Geef even wat ruimte en raak je kind niet aan. Een aanval stopt vanzelf.
  • Praat met je kind over de behandeling. Vertel dat die kan helpen.
  • Help je kind om de behandeling vol te houden. Laat weten dat je vertrouwen hebt in je kind.
  • Vraag de zorgverlener hoe je het beste kunt helpen bij de behandeling van je kind.

Hulp voor jezelf

Het kan eng zijn voor jou om te zien dat je kind FNS heeft. En je kunt je machteloos voelen. Praat over je gevoelens met mensen die je goed kent of met de zorgverlener.

Helpen medicijnen als je kind FNS heeft?

Je kind kan klachten hebben die niet door FNS komen, maar er wel voor zorgen dat de FNS erger wordt. Of de klachten zorgen ervoor dat de behandeling minder goed werkt. Dan kan je kind soms medicijnen krijgen.

Je kind kan soms bijvoorbeeld deze medicijnen krijgen:

  • Een pijnstiller, als je kind pijn heeft.
  • Medicijnen als je kind depressief of angstig is.

Er zijn geen medicijnen die ervoor zorgen dat je kind geen FNS meer heeft.

Meer informatie over FNS

GGZ
Deze informatie is goedgekeurd door artsen.
Laatst gewijzigd: 30 jun 2026