Mijn kind heeft DCD en krijgt een behandeling
In het kort
- Om je kind met DCD te helpen met dingen thuis, op school en met vriendjes, zijn er behandelingen. Zoals:
- oefenen met taken in kleine stappen
- manieren leren om met de moeite met bewegen om te gaan
- Moedig je kind aan om de dingen te doen die het moeilijk vindt. Zeg wat je kind goed doet.
- Vertel aan anderen wat je kind al goed kan, waar het nog moeite mee heeft en hoe ze kunnen helpen.
Wie kan je kind met DCD helpen?
Je kind kan verschillende therapieën krijgen om beter te gaan bewegen. Een kinder-revalidatie-arts maakt samen met jou en je kind een behandelplan.
Vertel de arts waar jouw kind nu de meeste moeite mee heeft. Vertel ook waar jouw kind goed in is. Samen bespreek je welke problemen het belangrijkst zijn om te behandelen. Bijvoorbeeld thuis, op school of bij spelen met vriendjes.
De kinder-revalidatie-arts stuurt een team van zorgverleners aan. Bijvoorbeeld deze zorgverleners:
- kinder-fysiotherapeut of kinder-oefentherapeut
Die helpt je kind om preciezer te gaan bewegen. En nieuwe bewegingen te leren. Vertel ook wat je zelf nodig hebt om je kind te kunnen helpen. De therapeut kan ook informatie en tips geven om thuis en op school te oefenen. - kinder-ergotherapeut
Die kijkt welke hulpmiddelen je kind kan gebruiken. - logopedist
Die kan je kind helpen om duidelijker te gaan praten. - psycholoog
Die kan je kind bijvoorbeeld helpen om meer zelfvertrouwen te krijgen. Of om om te gaan met de moeite met bewegen. - maatschappelijk werker
Die kan meekijken als er problemen zijn in het gezin. En je helpen om daar samen beter mee om te gaan.
Welke behandeling kan je kind met DCD krijgen?
Er zijn geen medicijnen tegen DCD. De behandeling is altijd therapie. Kinderen met DCD hebben veel meer oefening nodig om dingen te leren. In de therapie leert je kind dat het niet helpt om dingen maar niet meer te doen. Maar juist hoe het kan lukken om wel nieuwe dingen aan te leren.
Je kind kan bijvoorbeeld deze behandelingen krijgen:
- meer bewegen en oefeningen doen
Zo krijgt je kind een betere conditie. En kan het sterker en leniger worden. - leren om een stappenplan te maken voor een taak en daarmee te oefenen
Eerst in de therapie, daarna thuis en op school. - een speciale methode leren om taken te oefenen
Bijvoorbeeld veters strikken, schrijven, fietsen of gymmen. Samen oefenen de therapeut en je kind deze dingen op een speelse manier. - manieren leren om met de moeite met bewegen om te gaan
Vooral bij de dingen die je kind elke dag doet, thuis en op school.
Behandelingen in een groep
Je kind kan ook een behandeling krijgen in een groep. Het voordeel is dat je kind dan andere kinderen ziet die dezelfde problemen hebben. Dit kan goed zijn voor het zelfvertrouwen. Het kan helpen om bijvoorbeeld beter mee te doen op school, met sport en bij spelen met vriendjes.
Hoe kun je je kind met DCD helpen?
Je kunt je kind helpen met deze dingen:
Helpen met oefenen
- Help je kind met de oefeningen die het van de therapeut krijgt.
- En met de manieren om om te gaan met moeilijke dingen.
- Help je kind om te oefenen met dagelijkse dingen. Bijvoorbeeld helpen met brood smeren of aankleden en uitkleden.
Taak verdelen in kleine stapjes
Veel taken bestaan uit meer stappen. Doe ze samen stap voor stap. Je kind merkt dat het sommige stapjes al wel kan doen. Dat is goed voor het zelfvertrouwen.
Geef je kind de tijd om zelf te blijven proberen. Maar zorg ervoor dat je kind niet gefrustreerd raakt. Lukt iets echt nog niet? Help je kind dan.
Aanmoedigen
Moedig je kind aan met deze dingen:
- blijven oefenen en bewegen. Vraag hulp aan de therapeut hoe je dit het beste kunt doen.
- spelen met andere kinderen. Bijvoorbeeld een spelletje aan tafel doen of spelen in de speeltuin. Help je kind hierbij als dat nodig is.
- nieuwe dingen blijven proberen. Zoals een nieuwe sport of een nieuwe hobby. Bedenk samen met je kind en de therapeut welke sport of hobby geschikt kan zijn.
Complimenten geven
Vertel je kind wat al goed gaat. Geef complimenten als je kind blijft oefenen, ook als het moeilijk gaat of nog niet lukt. Je kunt bijvoorbeeld zeggen dat het al een stuk beter gaat. Of dat je kind wel goed zijn of haar best heeft gedaan. Zo krijgt je kind meer zelfvertrouwen.
Geduld hebben
Blijf rustig en geduldig. Je kind kan boos of verdrietig worden als iets niet direct lukt. Of doen alsof die iets niet leuk vindt.
Hoe kunnen anderen helpen als je kind DCD heeft?
Het kan je kind helpen als andere mensen weten wat er aan de hand is. En er goed mee omgaan. Dat zorgt voor meer zelfvertrouwen en helpt je kind om niet bang te zijn om dingen te proberen.
Vertel mensen om jou en je kind heen dat je kind moeilijk nieuwe bewegingen leert. Zoals de juf of meester, sporttrainer en andere ouders. Vertel anderen wat je kind al goed kan, waar het nog moeite mee heeft en hoe ze je kind daarbij kunnen helpen. De therapeut kan ook informatie en tips geven om thuis en op school te oefenen.
Wat kan je kind zelf doen
Je kind kan ook zelf informatie over DCD geven aan anderen. Bijvoorbeeld door er een spreekbeurt over te houden. In die spreekbeurt kan je kind de kinderen in de klas bepaalde opdrachten laten doen. De therapeut kan helpen met opdrachten bedenken. Daardoor kunnen zij een beetje meemaken hoe het is om DCD te hebben. Klasgenootjes begrijpen je kind dan beter en kunnen beter helpen.
Meer informatie over bewegen en DCD
- Meer informatie over onhandig bewegen en DCD: Oudervereniging Balans
- Advies over hoeveel uur per dag kinderen moeten bewegen: Rijksoverheid Sport en bewegen
- Advies over schermtijd voor kinderen per leeftijd: Nationaal Jeugd Instituut
Over deze tekst
Artsen en tekstschrijvers van Thuisarts hebben deze informatie gemaakt met de richtlijn voor artsen over DCD.
Lees wie de informatie van Thuisarts maakt.
Lees wat een richtlijn is en hoe die wordt gemaakt.
Heeft deze informatie je geholpen?
Laatst gewijzigd: 2 mrt 2026