In het kort
- Kinderen met DCD kunnen bewegingen minder precies sturen. Daardoor bewegen ze onhandiger. Ook leren ze moeilijker nieuwe bewegingen aan.
- Daardoor kan je kind problemen krijgen. Thuis, op school, tijdens sporten of bij spelen met vriendjes.
- Blijven oefenen kan helpen. En meer zelfvertrouwen geven.
- Je kind kan hulp krijgen van een fysiotherapeut en een revalidatie-arts.
Wat is DCD?
DCD is de afkorting van Developmental Coordination Disorder. Dit betekent: stoornis in de ontwikkeling van bewegen.
Kinderen met DCD kunnen bewegingen minder precies sturen. Daardoor bewegen ze onhandiger. En ook leren ze moeilijker nieuwe bewegingen dan andere kinderen van dezelfde leeftijd.
Artsen weten niet precies waardoor DCD komt. Waarschijnlijk ontwikkelen de hersenen van kinderen met DCD zich net iets anders dan de hersenen van kinderen zonder DCD. In sommige families komen problemen met bewegen of DCD vaker voor.
Ongeveer 5 van de 100 kinderen hebben DCD. Er zijn meer jongens met DCD dan meisjes.
Wat merk je als je kind DCD heeft?
Beweegt je kind onhandig en heb je van de arts gehoord dat het DCD heeft? Dan kun je dat aan deze dingen merken:
- Je kind struikelt vaak of loopt vaak ergens tegenaan. Of laat dingen vallen.
- Je kind heeft moeite met aankleden en uitkleden. Of strikt veters niet goed of te los.
- Je kind heeft moeite met knutselen en met knippen met een schaar. Of schrijft niet goed leesbaar.
- Je kind knoeit als het een glas drinken inschenkt. Of kan niet goed eten met bestek.
- Je kind kan een bal niet goed gooien en vangen.
- Sommige kinderen hebben moeite met duidelijk praten.
Ook taken die uit meerdere bewegingen bestaan, vindt je kind moeilijk. Bijvoorbeeld fietsen. Omdat je daarbij tegelijk moet sturen, je evenwicht bewaren en op het verkeer letten. Of zwemmen. Want daarbij moet je je armen en benen tegelijk bewegen.
Ouders zien dit vaak al op jonge leeftijd. En ook begeleiders op de kinderopvang en juffen of meesters op school.
Wat betekent DCD voor je kind?
Kinderen met DCD hebben vaak moeite om mee te doen met gewone dingen. Dat is erg vervelend voor je kind. En ook voor jou als ouder en voor de rest van het gezin kan het moeilijk zijn.
Je kind kan deze problemen krijgen:
- sneller moe worden
Bewegen kost je kind meer energie. Daardoor vindt je kind het vaak niet leuk om te sporten of te gymmen. Ook kan het vaak minder goed meespelen met andere kinderen. Je kind doet dan liever niet mee. - onzeker zijn of bang worden om dingen verkeerd te doen (faalangst)
Hierdoor kan je kind minder zelfvertrouwen krijgen. Dingen die je kind moeilijk vindt om te doen, doet het liever niet meer. - boos worden omdat dingen niet lukken
- rustig en stil worden of juist heel druk
Zo valt het niet op dat je kind iets niet zo goed kan. - te zwaar worden
DCD en andere problemen
Sommige kinderen met DCD hebben ook andere problemen. Bijvoorbeeld deze problemen:
- moeite met opletten. Ook is je kind drukker en doet het vaker dingen zonder na te denken (ADHD).
- moeite met veranderingen en onverwachte dingen. Ook ervaart je kind heftiger wat het hoort, ziet, ruikt, proeft en voelt (autisme).
- moeite met praten en begrijpen van taal
- moeite met leren, met schrijven en lezen (dyslexie) of met rekenen (dyscalculie)
Welke behandelingen zijn er voor DCD?
De behandeling bij DCD hangt af van wat je kind nodig heeft. De revalidatie-arts kijkt samen met je kind en jou en met een therapeut wat kan helpen.
Deze dingen kunnen jou en je kind bijvoorbeeld helpen:
- Extra uitleg krijgen over DCD. En leren hoe je aan andere mensen kunt uitleggen wat je kind heeft.
- Op een speciale manier bewegingen aanleren. Bijvoorbeeld in kleinere stapjes.
- Leren omgaan met de moeite met bewegen.
- Extra samen oefenen met een fysiotherapeut. En tips om thuis of op school te oefenen.
Het doel is om je kind zo goed mogelijk te helpen. Zodat het bijvoorbeeld weer beter kan meedoen op school of spelen met vriendjes. En meer zelfvertrouwen krijgt.
Hoe gaat het verder bij DCD?
Veel kinderen met DCD houden problemen met bewegen of dingen doen. Maar door veel oefenen met goede hulp kan je kind steeds minder last krijgen van DCD.
Toch kan je kind ook als tiener of volwassene nog moeite hebben om nieuwe dingen te leren. Bijvoorbeeld langzaam of slordig schrijven of moeite hebben met koken.
Problemen als tiener
Als tiener kan je kind problemen hebben met deze dingen:
- dingen plannen en organiseren
Zoals huiswerk maken of taken doen in het huishouden. - meedoen met anderen
Zoals samenwerken met klasgenoten.
Problemen als volwassene
Als volwassene kan iemand met DCD problemen hebben met deze dingen:
- dingen plannen en organiseren
Zoals taken doen in het huishouden of op het werk. - meedoen met anderen
Zoals uit eten gaan met collega's en dan netjes moeten eten in een restaurant. - leren autorijden
Bij autorijden moet je tegelijk verschillende taken uitvoeren. Zoals de auto besturen en op het verkeer letten. Hierdoor halen minder mensen met DCD hun rijbewijs. De mensen die wel hun rijbewijs halen, doen hier vaak langer over dan leeftijdsgenoten.
Ook op latere leeftijd kan iemand met DCD nog hulp krijgen. Bijvoorbeeld om gereedschap te gebruiken, te typen of het huishouden te doen. Of om genoeg te bewegen en niet te veel stil te zitten. Een fysiotherapeut of ergotherapeut kan dan helpen. Of een revalidatie-arts.
Meer informatie over bewegen en DCD
- Meer informatie over onhandig bewegen en DCD: Oudervereniging Balans
- Advies over hoeveel uur per dag kinderen moeten bewegen: Rijksoverheid Sport en bewegen
- Advies over schermtijd voor kinderen per leeftijd: Nationaal Jeugd Instituut
Over deze tekst
Artsen en tekstschrijvers van Thuisarts hebben deze informatie gemaakt met de richtlijn voor artsen over DCD.
Lees wie de informatie van Thuisarts maakt.
Lees wat een richtlijn is en hoe die wordt gemaakt.
Heeft deze informatie je geholpen?
Laatst gewijzigd: 2 mrt 2026